Lezing ‘Wat werkt’: Geert Jan Stams

Samenvatting lezing Geert Jan Stams

Geert-Jan Stams liet zien dat in de afgelopen 20 jaar het gebruik van de jeugdzorg enorm is toegenomen terwijl uit onderzoek is gebleken dat het aantal kinderen en jongeren met stoornissen en gedragsproblematiek gelijk is gebleven. Hij haalde Jo Hermans aan om te verklaren hoe dit mogelijkerwijs komt:

  • lagere tolerantie voor lastig gedrag;
  • medicaliseren van problematiek;
  • criminaliseren van kattenkwaad.

Volgens Jo Hermans zijn we het opvoeden verleerd. Mensen moeten weer leren opvoeden en de gemeenschap moet meer verantwoordelijk worden gemaakt. We individualiseren de problematiek teveel.

Stams concludeert dat we moeten afblijven van lichte problematiek en daarop niet gaan oversignaleren. Grote zorg is dat er veel te veel interventies worden toegepast; het is beter om een beperkt aantal preventieve en curatieve interventies te gebruiken die goed zijn onderzocht op effectiviteit.

Uit onderzoek van Micha de Winter komt naar voren dat jongeren zich buitenshuis niet welkom voelen in deze maatschappij. De gemeenschap zou zich meer verantwoordelijk moeten voelen om een prettig pedagogisch klimaat te ontwikkelen; community-based werken.

Werk woning wijfIn gezinnen waar veel problematiek is, kun je volgens Stams niet uitgaan van eigen kracht. Er is juist te weinig eigen kracht en over het algemeen ook in de directe omgeving van het gezin (buurt, familie). Er moet dan outreachend gewerkt worden. Het is van belang om te werken aan de competenties van de opvoeders, zodat ze eigen kracht kunnen ontwikkelen. De regie moet niet worden overgenomen en dat is een hele klus voor hulpverleners. Het is van belang om expertise te importeren in plaats van het kind te exporteren.

One-size-fits-all-methodieken helpen niet. Onderzoek laat zien dat een methodiek als eigen kracht conferentie, die voor iedere probleem ingezet zou moeten kunnen worden, niet werkt. Het weinige onderzoek dat op een wetenschappelijk verantwoorde manier (onafhankelijk, met en voor- en nameting en controlegroep) is gedaan, laat zien dat kindermisbruik en uithuisplaatsing meer voorkomen als EKC is ingezet dan als gebruikelijke hulp wordt ingezet. Oplossingsgericht werken blijkt een interventie te zijn die goede resultaten oplevert. Daarmee wordt de eigen kracht gemobiliseerd.

In de problematische gezinnen zie je vaak een opeenstapeling van casemanagers voor de opeenstapeling van problematiek. Deze problematiek is nu eenmaal niet simpel op te lossen. Er is daar goed casemanagement nodig en evidence-based interventies. Bureau Jeugdzorg heeft hiervoor de Deltamethode ontwikkeld. Uit onderzoek blijkt dat deze geprotocolleerde methode leidt tot minder en kortere uithuisplaatsingen en meer veiligheid voor het kind. De methode is gebaseerd op het zeer concreet formuleren (samen met het gezin) van de hulpverleningsdoelen. Dat blijkt niet makkelijk. Hulpverleners hadden een gerichte training nodig om dit te leren. Met de training zijn de effecten van de methode veel beter dan wanneer gewerkt wordt als voorheen. Methodisch werken helpt.

Hulpverleners zullen meer moeten engageren en positioneren (‘man en paard noemen’); mensen zelf verantwoordelijk maken en activeren. Aansluiting vinden bij de motivatie van het gezin middels het formuleren van haalbare doelen en inzetten van een evidence-based zorgaanbod waarmee de gezinnen nieuwe competenties verkrijgen en deze leren te generaliseren. Een voorbeeld is het herlabelen van gedachten. Vaak labelen ouders in probleemgezinnen situaties negatief. Ze denken negatief over o.a. hun kinderen en hulpverleners. Het herlabelen van gedachten is met een evidence-based methodiek te leren. Eigen kracht kan mogelijk daarna worden gebruikt om het geleerde te generaliseren naar andere situaties.

In de strafrechtelijke context geldt dat als er meer risicofactoren zijn voor een ongunstige ontwikkeling van kind (factoren in de domeinen gezin, vrije tijd en school) dat de kans dan groter is op delinquent gedrag en recidive. Het is dan van belang om hulpverlening in te zetten volgens drie ‘wat werkt-principes:’

  • het behoefte principe (inspelen op wat het kind/de jongere nodig heeft);
  • het risicoprincipe (hoe hoger het risico op recidive, hoe intensiever de interventie);
  • het responsiviteitsprincipe (rekening houden met de motivatie en competenties van het kind/de jongere)

Het blijkt dat jongeren tussen de 12 en 18 jaar nauwelijks meer te helpen zijn met interventies voor het gezin (multisysteemtheorie). Vanaf ongeveer 18 jaar beginnen veel jongeren weer gevoelig te worden voor maatschappelijke factoren door behoefte aan ’werk, wijf en wonen’. Door aan te sluiten bij die motivatie is het gedrag bij te sturen. In de periode daarvoor lijkt er geen binding te zijn met het maatschappelijke. Mogelijk is daar een aanknopingspunt te vinden door te werken aan een veiliger school en wijk, waar zij zich welkom voelen. Dat is een goede invulling van community-based werken.

Interventies moeten uitgevoerd worden zoals bedoeld en het protocol moet worden gevolgd. Hoe meer dit gebeurt, hoe lager de recidive en hoe minder variatie er is tussen de resultaten van verschillende behandelaars. Dus naast de bovengenoemde ‘wat werkt principes’, moeten interventies worden uitgevoerd volgens protocol.

Over wat de competenties moeten zijn van hulpverleners, daar is nauwelijks onderzoek naar gedaan. Het is niet bekend wat een goede hulpverlener is. Het inzetten van een specifieke methode voegt in ieder geval wel degelijk iets toe aan de algemeen werkzame elementen in de relatie tussen behandelaar en cliënt. Stams gelooft echter niet in een pedagogische huisarts die zowel een demente bejaarde helpt als gezinnen met jeugdzorgproblematiek. Alleen al in de hulpverlening voor de jeugd zijn er al meer dan 50 interventiemogelijkheden.

Samengevat zijn de aanbevelingen van Stams om goedkoper en beter te werken:

  • Community-based werken voor preventie van afglijden van jongeren met ‘lastig’ gedrag
  • Screening op problematiek waarvoor specialistische zorg nodig is
  • Evidence-based interventies voor de specialistische vragen
  • Overzichtelijk casemanagement, met adequate verwijzing

 


Naar aanleiding van de discussie:

  • In Nieuw Zeeland mag er niet meer dan 1 casemanager tegelijkertijd zijn. Als er steeds meer casemanagers komen is het risico groot dat er steeds dieper gekeken wordt. Doorgaans zien scholen en politie echter de belangrijkste misstanden wel. Daar kom je al een heel eind mee.
  • We moeten ons realiseren dat gezinsinterventies op bepaalde leeftijden geen/weinig effect hebben. Kan dus in bespaard worden als dat dan ook niet meer wordt gedaan.
  • Terug naar de Wat-vraag: daar moeten we het eens over worden; als we het daar niet over eens worden blijven alle betrokken organisaties met elkaar strijden.
  • Belangrijk om interventies niet door elkaar te husselen; dan zijn ze niet meer effectief.
  • We dreigen af te slaan naar meer generalistisch werken, maar daar zit een groot gevaar in. Vooral als de generalist zelf gaat handelen kan het mis gaan; behandelaars hebben over het algemeen affiniteit met, en zijn daarmee goed in, het uitvoeren van een beperkt aantal interventies.
  • Er is een beweging in Nederland die zegt dat we specifieke interventies niet meer nodig hebben. Dit is echter problematisch waar het kinderen en jongeren met ernstige problematiek betreft. De golf van generalistisch werken is dan te ver doorgeschoten.
  • Ook is het een groot risico als er teveel interventies tegelijkertijd worden gebruikt.
  • Als CJG-medewerkers goed geschoold zijn, dan kunnen zij wel goed een bijdrage leveren aan preventie.

 

Lezing ‘Wat werkt’: Ridder de Vries

Samenvatting lezing Ridder de Vries

In 2008 is de ketensamenwerking tussen Stichting Welzijngroep Sedna, Icare (Jeugdzorg tot 4 jaar), GGD (JZ 4-14 jaar) en Bureau Jeugdzorg Drenthe gestart in het kader van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van jeugdzorg. In 2010 is de samenwerking omgevormd tot een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Essentieel bij deze ‘verbouwing’ was:

  • Antwoord op de vraag: wie stuurt wat aan
  • Samenwerking moet vanzelfsprekend zijn
  • Omgaan met cultuurverschillen
  • Effectiviteit

Verschillende organisaties bieden dezelfde producten; wie heeft welke rol? De gemeente heeft de rol van opdrachtgever; de gemeente Emmen geeft subsidie aan de organisaties.

Ridder en Ilse en Jasper

Er is een stuurgroep van directeuren van de betrokken organisaties opgericht die de grote lijnen uitzet. Het Managementsteam (teamleiders) is verantwoordelijk voor de uitvoering en vormt feitelijk het CJG. De professionals ontwikkelen en voeren uit. Ridder de Vries is door de gemeente Emmen aangesteld als onafhankelijke procesleider, die zich niet met de inhoud bemoeit.

De voorlopers van het CJG waren de consultatiebureaus en jeugdgezondheidszorg etc. Het gaat erom uit ‘de identiteitscrisis’ te komen. Medewerkers zijn zowel medewerker van de GGD als medewerker van het CJG. Hieraan is gewerkt door o.a. visitekaartjes te maken en gezamenlijke trainingen te organiseren voor de partners die het CJG gingen vormen. Er is een gezamenlijk opleidingsplan ontwikkeld. Hierdoor zijn de cultuurverschillen verkleind en leerde men elkaar beter kennen. Met de methodiek van oplossingsgericht werken wordt de eigen kracht van gezinnen/jongeren versterkt.

Professionals voelen zich nu meer onderdeel van het CJG. Dat gevoel is werkenderwijs ontstaan. Dat komt mede omdat medewerkers van het CJG op meer dan 100 locaties werken( scholen, consultatiebureaus, peuterspeelzalen). Er zijn verschillende vormen van afstemming (1-2 tjes bij voorschoolse voorzieningen, 1,2-3 tjes bij het primair onderwijs, etc). Er is slechts 1 CJG- loket in de gemeente Emmen en deze is gevestigd in het pand van de Stichting Welzijnsgroep Sedna. Dit CJG-loket dient vooral als informatie- en ontmoetingspunt en is in de praktijk vooral goed bereikbaar voor de professionals.

Vier organisaties, i.c. Welzijngroep Sedna, Icare, de GGD-Drenthe en de gemeente Emmen, hebben het contract voor het CJG getekend. In de praktijk vervullen daarnaast ook andere relevante organisaties, zoals MEE-Drenthe en hulpverleningsorganisaties een rol in het CJG.

Er is één taal en cultuur door eenheid in werkwijze: oplossingsgericht werken en positief opvoeden (soort Triple P). De eerste stappen naar een pedagogisch klimaat worden gezet met het ontwikkelen van dorps- en wijkplannen. Er worden niet alleen voor ‘grijs en groen’ plannen ontwikkeld, maar ook voor het sociale aspect. De CJG-partners worden geraadpleegd en betrokken bij het opstellen van de dorps-en wijkplannen van ‘Emmen-Revisited’.

Met de transitie zie je dat alle organisaties zich willen profileren. De gemeente Emmen heeft daarom de regie in de samenwerking naar zich toegetrokken middels de procesregisseur. De gemeente Emmen werkt samen met de buurgemeenten Borger-Odoorn en Coevorden aan gezamenlijke website, communicatie, coördinatie en bereikbaarheid. Deze samenwerking op regionaal niveau sluit ook goed aan bij de organisatie van de GGD Drenthe, Icare en Bureau Jeugdzorg die zowel provinciaal als regionaal schaal zijn georganiseerd.

De colleges moeten in dit proces de WAT vraag bepalen en de organisaties de HOE vraag uitwerken.

In de gemeente Emmen zijn 6 gebiedsteams opgezet. De eerste vraag is naar bredere leefomgeving: investeren in sport, pedagogisch klimaat, school e.d. Daarbij niet aankomen aan de dingen die goed zijn.

In het CJG is er 1 contactpersoon voor ouders. Dit is een generalist, maar geen schaap met 5 poten. Het is iemand met een brede kijk die snel een specialist erbij kan halen, indien nodig. Er wordt niet verwezen, maar erbij gehaald.

Het meten van effecten, daarover moet nog worden nagedacht. Het moet in ieder geval meer resultaatgericht zijn dan voorheen. Ook zijn er nog vragen over dossierbeheer. Bij multi-problem-situaties is er nog geen sprake van 1 dossier op 1 plek.

In Emmermeer is een mooi voorbeeld van 4 scholen en kinderdagverblijven die geïnvesteerd hebben in een positief leefklimaat.


Naar aanleiding van de discussie:

  • In Nieuw Zeeland mag er niet meer dan 1 casemanager tegelijkertijd zijn. Als er steeds meer casemanagers komen is het risico groot dat er steeds dieper gekeken wordt. Doorgaans zien scholen en politie echter de belangrijkste misstanden wel. Daar kom je al een heel eind mee.
  • We moeten ons realiseren dat gezinsinterventies op bepaalde leeftijden geen/weinig effect hebben. Kan dus op bespaard worden als dat dan ook niet meer wordt gedaan.
  • Terug naar de Wat-vraag: daar moeten we het eens over worden; als we het daar niet over eens worden blijven alle betrokken organisaties met elkaar strijden.
  • Belangrijk om interventies niet door elkaar te husselen; dan zijn ze niet meer effectief.
  • We dreigen af te slaan naar meer generalistisch werken, maar daar zit een groot gevaar in. Vooral als de generalist zelf gaat handelen kan het mis gaan; behandelaars hebben over het algemeen affiniteit met, en zijn daarmee goed in, het uitvoeren van een beperkt aantal interventies.
  • Er is een beweging in Nederland die zegt dat we specifieke interventies niet meer nodig hebben, maar dat is problematisch waar het kinderen en jongeren met ernstige problematiek betreft. De golf van generalistisch werken is dan te ver doorgeschoten.
  • Ook is het een groot risico als er teveel interventies tegelijkertijd worden gebruikt.
  • Als CJG-medewerkers goed geschoold zijn, dan kunnen zij wel goed een bijdrage leveren aan preventie.

 

Lezing “Wat werkt” – de presentaties

In oktober 2012 heeft JAN de succesvolle lezing georganiseerd: Wat werkt? Nieuwe ontwikkelingen in de jeugdzorg.

Wij hebben de lezingen samengevat.

Via onderstaande links kunt u pdf-versies van de presentaties van Geert Jan Stams en Ridder de Vries oproepen of downloaden.

 

Lezing: Wat werkt?

Nieuwe ontwikkelingen in de jeugdzorg

Download flyerdownload flyer

 

 De jeugdzorg verandert in hoog tempo met de doorontwikkeling van Centra voor Jeugd en Gezin en introductie van nieuwe werkwijzen. Ook zijn er nieuwe ideeën om jeugdigen en ouders te stimuleren gebruik te maken van hun eigen kracht en de bureaucratie in te dammen. Wat is de waarde van nieuwe ontwikkelingen zoals de pedagogische Civil Society, Eigen Kracht Centrales en beroepskrachten die in wijken en dorpen als generalist aan de slag gaan? Wat werkt?

Jeugdadvies Noord heeft prof. dr. Geert Jan Stams uitgenodigd om u hierover bij te praten. Hij komt daarbij tot praktische aanbevelingen voor gemeenten voor beleidsontwikkeling en inkoop van zorg voor de jeugd. Ridder de Vries, procesmanager, vertelt u over de nieuwste ontwikkelingen bij de versterking van het Centrum voor Jeugd en Gezin in Emmen en samenwerking met omliggende Centra voor Jeugd en Gezin. U hoort concrete voorbeelden van vragen die zich voordoen bij samenwerking in een Centrum voor Jeugd en Gezin en oplossingen uit de praktijk.

  • Datum: Dinsdag 30 oktober 2012
  • Tijd: 15.00- 17.00 uur (tussen de lezingen geen pauze!)
  • Plaats: Synagoge Groningen, Folkingestraat 60 te Groningen
  • Toegang: € 60,00

Programma

14.30 Ontvangst

15.00 Prof. dr. Geert Jan Stams, hoogleraar forensische orthopedagogiek, Universiteit van Amsterdam

Geert Jan StamsGeert Jan Stams geeft u een overzicht van de te onderscheiden groepen in de jeugdzorg en de mogelijkheden voor preventie en behandeling. Hij gaat hierbij eveneens in op het benutten van eigen kracht, oplossingsgericht werken en generalistisch werken (‘de sociale huisarts’). Op basis van zijn actuele kennis van theorie, onderzoek en praktijk geeft hij aanbevelingen waar gemeenten op moeten letten bij de inkoop van zorg.

 

16.00 Ridder de Vries, procesmanager Centrum voor Jeugd en Gezin, Emmen

Ridder de VriesRidder de Vries geeft u een voorbeeld uit de praktijk. In Emmen is de ontwikkeling van een toekomstgericht Centrum voor Jeugd en Gezin in volle gang. Het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt de frontoffice voor alle (gemeentelijke) jeugdzorg, gericht op versterking van het opvoedklimaat (‘de pedagogische civil society’). Gebiedsteams fungeren als basis. Ridder de Vries vertelt hoe de gemeenten in Zuidoost Drenthe invulling geven aan hun regierol en hoe gemeenten in de praktijk met elkaar samenwerken. Ook geeft hij een kijkje in de keuken bij de samenwerking van professionals, ouders en scholen.

16.30 Het woord is aan u. Discussie

17.00 Hapje en drankje

Aanmelden: via dit formulier

We ontvangen uw aanmelding graag vóór 27 oktober.

Wij hopen u op dinsdag 30 oktober te mogen begroeten. Parkeermogelijkheden: Onder Pathé (Ruiterstraat 12) of in de Haddingegarage (Pelsterstraat 15). De synagoge ligt op 5 minuten lopen vanaf het centraal station Groningen

Lezing jeugdzorgbeleid

JAN organiseert in het najaar van 2012 een lezing over jeugdbeleid en jeugdzorgbeleid voor gemeenten en maatschappelijke organisaties in Noord Nederland. Nader bericht volgt.